Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB6916

Datum uitspraak2007-08-29
Datum gepubliceerd2007-11-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers59149 / HA ZA 06-753
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gelet op het bepaalde in art. 111 jo. 21 Rv. moet eisende partij geacht worden niet te hebben voldaan aan de stelplicht. Eisende partij heeft haar stellingen slechts onderbouwd met een enkele productie die nog niet eens betrekking heeft op de in het geding zijnde hoofdzaak. De beschikbare gedinstukken geven onvoldoende grond tot toewijzing van de vorderingen. Gelet op het verweer van gedaagde partij in de conclusie van antwoord had zonder meer van eisende partij mogen worden verwacht dat zij bij haar conclusie van repliek haar stellingen nader had onderbouwd.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ASSEN Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 59149 / HA ZA 06-753 Vonnis van 29 augustus 2007 in de zaak van de stichting STICHTING HET EEUWIGE LEVEN II, statutair gevestigd te Amsterdam, eiseres, procureur mr. P.J.G.G. Sluyter, tegen de besloten vennootschap FINEX B.V., gevestigd te Emmer-Compascuum, Kijlweg 6, gedaagde, procureur mr. R.P. van Boven. Partijen zullen hierna de Stichting en Finex genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 29 september 2006; - de conclusie van antwoord van 13 december 2006; - de conclusie van repliek van 14 februari 2007; - de conclusie van dupliek 28 maart 2007; - de bij de stukken gevoegde producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De vaststaande feiten 2.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast. 2.2. Finex is op 15 maart 2006 opgericht en houdt zich onder meer bezig met de in- en verkoop, bouw en renovatie van stacaravans/chalets. Voor de bouw van chalets is een groot gebouw met een sterk dak (i.v.m. takels) nodig. Omdat een passende bedrijfsruimte niet in Emmen e.o. te huur was, heeft Finex besloten om een perceel bedrijfsterrein gelegen aan de Kijlweg op het bedrijventerrein Emmer Compascuum te kopen van de gemeente Emmen. Daartoe is de uitgifteovereenkomst d.d. 13 februari 2006 opgemaakt en ondertekend. Met de gemeente Emmen heeft Finex afgesproken dat op 1 mei 2006 de koopprijs zou worden betaald. Voorts is Finex met de gemeente Emmen overeengekomen dat reeds voor het notariële transport van de grond met de bouw van het bedrijfspand mocht worden gestart. De bouw is kort na het sluiten van de uitgifteovereenkomst gestart en het bedrijfspand is opgeleverd op 15 mei 2006. 2.3. Voor de grondverwerving en het betalen van de aannemer benodigde Finex een financier. Het lukte niet om op korte termijn een financiering te verkrijgen. Finex heeft zich uiteindelijk gewend tot de heer [derde 1] te [woonplaats], die Finex in contact heeft gebracht met de heer [derde 2], optredend namens de Stichting het Eeuwige Leven. Medio april 2006 is er overeenstemming bereikt over een financiering, welke is bevestigd bij e-mail d.d. 20 april 2006 van [derde 1]. Er zou blijkens de (niet ondertekende) brief van 20 april 2006 van [derde 1] worden gecontracteerd tussen Finex en de Stichting het Eeuwige Leven. De Stichting (en dus niet voormelde Stichting Het Eeuwige Leven) en Finex hebben op 23 mei 2006 een huurovereenkomst gesloten, op grond waarvan de Stichting aan Finex heeft verhuurd een perceel bedrijfsterrein gelegen aan de Kijlweg te Emmer Compascuum (bedrijventerrein Emmer-Compascuum), alsmede een perceel grond gelegen langs de Kijlweg te Emmer Compascuum (bedrijventerrein Emmer-Compascuum), waarin de afwateringssloot is gelegen, kadastraal bekend gemeente Emmen sectie E nummers 10229 en 5624. 2.4. Daarnaast is op 23 mei 2006 een overeenkomst gesloten tussen de Stichting en Vastgoed [X] BV en Finex, in welk verband [borg 1], [borg 2], [borg 3] en [borg 4] zich hebben verbonden als borg. Blijkens die overeenkomst heeft de Stichting bij akte op 23 mei 2006 in eigendom verworven het perceel bedrijfsterrein gelegen aan de Kijlweg te Emmer-Compascuum (bedrijventerrein Emmer-Compascuum), alsmede een perceel grond gelegen langs de Kijlweg te Emmer-Compascuum (bedrijventerrein Emmer-Compascuum), waarin de afwateringssloot is gelegen, kadastraal bekend gemeente Emmen sectie E nummers 10229 en 5624. In die overeenkomst is voor zover hier van belang overwogen dat de Stichting eveneens bij akte op 23 mei 2006, door notaris mr. B.A. Schukken verleden, een recht van eerste hypotheek heeft gevestigd ten behoeve van de statutair te Amsterdam gevestigde Stichting PVF Zakelijke Hypothekenfonds tot een bedrag in hoofdsom van EUR 320.000,00 en dat bij onderhandse akte Finex huurder is geworden van gemelde onroerende zaak. In punt 6 van die overeenkomst is het volgende bepaald: de stichting heeft het voornemen de onroerende zaak in economische eigendom over te dragen aan de vennootschap, echter de hypotheekhouder heeft daar (nog) geen toestemming voor verleend, terwijl de vennootschap op korte termijn één en ander geregeld wenst te hebben in verband met: a. het betalen van de aannemer en andere crediteuren terzake van de nieuwbouw; b. het starten van de werkzaamheden van de vennootschap, welke door het seizoensgebonden karakter van deze werkzaamheden, op korte termijn dienen te worden aangevangen; In punt 7 van de overeenkomst is gesteld: in hun onderlinge verhouding zijn de stichting en de vennootschap het volgende overeengekomen, waarbij de vennootschap bij monde van de ondergetekende sub 2 zich terdege bewust is van het financiële risico dat de vennootschap terzake loopt: a. tussen de stichting en de vennootschap worden de grond met de opstallen en verdere aanhorigheden beschouwd als zijnde investeringen van de vennootschap, waarbij de stichting enkel vanwege de financiering eigenaar is geworden van de grond en de opstallen; b. het sub a bepaalde kan niet worden beschouwd als economische eigendomsoverdracht van de grond en de opstallen, het risico gaat niet over van de stichting op de vennootschap en alle kosten terzake (verzekering en dergelijke) zullen worden voldaan door de stichting; Verder is in die overeenkomst in punt 7 onder c vermeld dat en onder welke voorwaarden de stichting aan de vennootschap in de vorm van een geldlening een bedrag van EUR 175.640,00 ter beschikking stelt en is onder d vermeld dat de vennootschap aan [X] vastgoed BV een bemiddelingsfee van EUR 160.000,00 verschuldigd is over de periode vanaf 23 mei 2006 tot drie jaar na 23 mei 2006. 2.5. De advocaat van de Stichting (mr. M. Velsink) heeft de akte van economische eigendomsoverdracht opgesteld, welke is gedateerd op 23 mei 2006 en welke is ondertekend door de Stichting, Finex, [borg 1], [borg 2], [borg 3] en [borg 4]. In artikel 11 van die akte is het volgende bepaald: De tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de verkochte onroerende zaak wordt hierbij ontbonden. In artikel 12 van die akte is bepaald dat Finex maandelijks aan de Stichting zal voldoen een bedrag van EUR 4583,33, welk bedrag behoudens in het geval van artikel 14 geacht wordt in mindering te strekken als eerste op door de Stichting betaalde kosten verband houdende met de verkochte onroerende zaak, vervolgens op de door Finex over de koopsom verschuldigde rente en tenslotte op de door Finex verschuldigde koopsom. Artikel 14 van bedoelde akte luidt als volgt: De bij deze overeenkomst geregelde economische eigendomsoverdracht zal geacht worden niet te hebben plaatsgevonden in de navolgende gevallen: a. Indien op 1 juni 2009 de koopsom nog niet volledig is voldaan en Koper ook niet schriftelijk heeft aangeboden de zaak uiterlijk op 14 juni 2009 tegen betaling van de (restant) koopsom juridisch geleverd te krijgen; b. in geval van faillissement van of verlening van surseance van betaling aan Koper; c. Indien Koper in verzuim is met de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen op 24 mei 2006 gesloten financieringsovereenkomst, van welke overeenkomst een afschrift aan deze akte is gehecht. Blijkens artikel 15 zal in het geval ingevolge het bepaalde van artikel 14 de levering van de economische eigendom niet heeft plaatsgevonden, hetgeen Finex ingevolge artikel 12 aan de Stichting heeft betaald, geacht zal worden te zijn betaald ten titel van gebruiksvergoeding. Voorts is in artikel 16 bepaald dat bij niet of niet stipte nakoming van één of meer bepalingen uit de overeenkomst, Finex in gebreke zal zijn door het enkele feit van de niet of niet stipte nakoming zonder dat enige ingebrekestelling zal zijn vereist, in welk geval Finex ten behoeve van de Stichting een boete van EUR 100.000,00 verschuldigd zal zijn. Ten slotte behelst artikel 17 de hoofdelijke aansprakelijkheid van vier natuurlijke personen. 2.6. Blijkens de akte van geldlening tevens houdende positieve-negatieve hypotheekverklaring, die op 12 juni 2006 is ondertekend, hebben partijen de bij akte van 6 juni 2006 overeengekomen geldlening (ad EUR 90.000,00) terzijde gesteld en hebben de Stichting, Finex, [borg 4] en [borg 3] verklaard te zijn overeengekomen dat de Stichting op eerste verzoek aan Finex ter leen zou verstrekken een bedrag van EUR 50.000,00 onder de daarbij vermelde voorwaarden. Ingevolge die overeenkomst zouden de geldlening en de daarover verschuldigde rente dienen te zijn afgelost respectievelijk betaald uiterlijk op 15 september 2006 of zoveel eerder als Finex de door haar aangevraagde IPR-subsidie zou hebben ontvangen. In die overeenkomst is voorts in artikel 9 het volgende bepaald: Ondergetekende sub 3 ([borg 4] Rb) verplicht zich hierbij om op eerste verzoek van Geldgeefster voor een bedrag van € 67.500,00 een recht van hypotheek te (doen) vestigen op de haar in eigendom toebehorende zaak aan de [adres, woonplaats, kadastrale gegevens] (…) Op 26 oktober 2006 heeft notaris mr. W.M. de Vries te Amsterdam een hypotheekakte verleden, waarbij er ten laste van [borg 4] een hypotheekrecht is gevestigd op de recreatiewoning met bijbehorende grond, plaatselijk bekend [adres, woonplaats]. Onder ad 1 van de aanduiding van partijen is mevrouw [gevolmachtigde 1] als de schriftelijke gevolmachtigde van [borg 4] vermeld en onder ad 2 is mevrouw [gevolmachtigde 2] vermeld als mondeling gevolmachtigde van de Stichting. De advocaat van [borg 4] heeft tot op heden van genoemde notaris geen reactie gehad op zijn op 9 november 2006 gedateerde brief, waarin die notaris wordt gevraagd een kopie van de schriftelijke volmacht te sturen en mede te delen of, en zo ja hoe, er is onderzocht of de vestiging van het hypotheekrecht de instemming had van mevrouw [borg 4], alsmede of is onderzocht of mevrouw [borg 4] het afgesproken bedrag van EUR 50.000,00 heeft ontvangen. Bij telefax van 8 november 2006 heeft de advocaat van de Stichting (mr. M. Velsink) aan het Samenwerkingsverband Noord-Nederland de ten kantore van notaris Schukken te Emmen opgemaakte akte d.d. 23 mei 2006 toegezonden, waarin onder meer de vordering van Finex ter zake van IPR-subsidie is gecedeerd aan de Stichting, met de mededeling dat met deze kennisgeving de cessie voltooid was, hetgeen met zich meebracht dat het Samenwerkingsverband Noord-Nederland nog slechts bevrijdend aan de Stichting zou kunnen betalen. 2.7. De Stichting heeft bij factuur nr: 20060107 d.d. 28 juni 2006 voor de periode 24 mei t/m 31 mei 2006 een bedrag van EUR 1.205,48 (EUR 1.434,52 inclusief BTW) en bij facturen nrs: 20060108 en 20060108 d.d. 28 juni 2006 voor de periode juni 2006 respectievelijk juli 2006 elk een bedrag van EUR 4.583,33 (EUR 5.454,17 inclusief BTW) in rekening gebracht. Op alle voormelde facturen is het volgende vermeld: 1/12 * € 55.000,- Hierbij belast ik u conform overeenkomst 20060478/BS voor de huur inzake Kijlweg, Emmer-Compascuum, kadastraal bekend bij Gemeente Emmen onder sectienummers: E10229 en E 5624 Het bedrag van EUR 55.000,00 komt overeen met het in de huurovereenkomst van 23 mei 2006 vermelde bedrag van de aanvangshuurprijs van het gehuurde op jaarbasis exclusief omzetbelasting. In de huurovereenkomst is onder meer bepaald dat deze is aangegaan voor de duur van vijf jaar ingaande op 24 mei 2006 en loopt tot en met 23 mei 2011, dat beëindiging daarvan plaats vindt door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar en dat die opzegging dienst te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven. Blijkens artikel 11 van voormelde op 23 mei 2006 ondertekende akte van economische eigendomsoverdracht is de huurovereenkomst bij die akte ontbonden. 3. De vordering en de gronden daarvan 3.1. De Stichting vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Finex zal veroordelen om aan de Stichting tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen: a) de sedert september 2006 uit hoofde van de economische eigendomsoverdracht verschuldigde maandtermijnen van EUR 4.583,33 en voorts iedere maand totdat de geldsom volledig is voldaan; b) een boetebedrag van EUR 100.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2006 tot aan de dag der voldoening; c) het bedrag der geldlening ad EUR 50.000,00 te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 1% per maand te rekenen vanaf september 2006 tot aan de dag der voldoening; d) buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 7.500,00; e) de daadwerkelijk door de Stichting gemaakte kosten van rechtsbijstand als op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; f) de overige kosten van deze procedure, die van de te dezer zake gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen. 3.2. De Stichting stelt zich op het standpunt dat zij Finex financieel heeft geholpen bij de start van de onderneming door de verstrekking van een lening die Finex slechts voor korte tijd nodig zou hebben omdat zeer spoedig voldoende middelen uit de verkoop van de chalets, een BTW-teruggave en een subsidieverstrekking zouden loskomen. De Stichting is tot invordering overgegaan toen Finex haar betalingsverplichtingen op geen enkele manier nakwam (en nog steeds niet nakomt) en nadat was gebleken dat Finex de subsidiegelden ook aan diverse andere schuldeisers had toegezegd. Overigens stelt de Stichting dat de voorwaarden die zij aan de verstrekking van de geldlening heeft verbonden van begin af aan duidelijk zijn geweest en geenszins buitensporig zijn, in aanmerking genomen dat het hier een transactie betreft waar geen bank een financiering voor wilde verstrekken. 4. Het verweer 4.1. Finex stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de Stichting haar stellingen tot twee keer toe niet deugdelijk heeft toegelicht en daardoor is tekortgeschoten in haar stelplicht. Daarnaast stelt zij dat de akte van economische eigendomsoverdracht niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. In dit verband wordt opgemerkt dat, nu de Stichting aan Finex huur heeft gefactureerd en betaling daarvan heeft verkregen en behouden, de huur onverschuldigd is betaald indien de akte van economische eigendomsoverdracht wel rechtsgeldig zou zijn, in welk geval de betalingen kunnen worden aangemerkt als betalingen op de maandelijkse termijnen van EUR 4.583,33, zodat er ten tijde van het dagvaarden en beslagleggen geen betalingsachterstand was. Overigens stelt Finex dat door het niet en niet tijdig voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst zijdens de Stichting, de beslaglegging en de blokkering van de IPR-subsidie, de Stichting zelf een situatie heeft gecreëerd waarbij Finex niet aan haar eventuele financiële verplichtingen jegens de Stichting kan voldoen. 4.2. Finex beroept zich erop dat zij door middel van een buitengerechtelijke verklaring voor zover vereist de partiële vernietiging van de akte van economische eigendomsoverdracht heeft ingeroepen wegens misbruik van omstandigheden, een beroep dat thans betrekking heeft op het boetebeding, waardoor de boete niet is verbeurd. Voorts doet Finex uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:263 BW, in welk verband de Stichting eerst zal moeten aantonen dat er sprake is van een rechtsgeldige economische eigendomsoverdracht door het overleggen van de toestemming van PVF en het bieden van zekerheid dat de Stichting de eigendom van de onroerende zaak kan overdragen. Verder stelt Finex nog dat zij door middel van een buitengerechtelijke verklaring de gehele geldleningsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden integraal heeft vernietigd. Ten slotte betwist Finex gemotiveerd de verschuldigdheid van de door de Stichting gevorderde buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 7.500,00. 5. De beoordeling van het geschil 5.1. Waar Finex zich primair op het standpunt stelt dat de Stichting niet deugdelijk heeft voldaan aan haar stelplicht, rechtvaardigen de beschikbare gedingstukken naar het oordeel van de rechtbank inderdaad de conclusie dat door de Stichting niet is voldaan aan de procesrechtelijke verplichtingen uit artikel 111 juncto artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Vastgesteld wordt dat de Stichting haar stellingen in de dagvaarding niet deugdelijk heeft onderbouwd met concrete en controleerbare gegevens en dit vervolgens ook tot in dit stadium van de procedure heeft nagelaten. En dat klemt te meer waar de stellingen van Finex in haar conclusie van antwoord in samenhang beschouwd met de door Finex overgelegde producties de Stichting (nog afgezien van haar verplichting uit artikel 111 Rv) zonder meer noodzaakten tot die onderbouwing. De Stichting heeft in haar conclusie van repliek niet alleen de voor de rechterlijke beoordeling van belang zijnde stellingen van Finex niet of onvoldoende weersproken, maar daarbij slechts als productie de akte van geldlening tevens houdende positieve-negatieve hypotheekverklaring van 12 juni 2006 in het geding gebracht. De in die akte genoemde akte van 6 juni 2006, waarbij partijen een overeenkomst hebben gesloten terzake van ondermeer een door de Stichting aan Finex te verstrekken geldlening van EUR 90.000,00 in verband met door Finex te ontvangen IPR-subsidies, heeft de rechtbank zelfs ook niet mogen aantreffen. Het enige tot de gedingstukken behorende stuk dat is gedateerd op 6 juni 2006 (en dat bij conclusie van antwoord door Finex is overgelegd) is de positieve-negatieve hypotheekverklaring, welke is opgesteld ten behoeve van een overeenkomst van geldlening ten bedrage van EUR 50.000,00 tussen [borg 4] en [derde 2]. Bedoeld stuk, dat niet door beide betrokken partijen is ondertekend, legt overigens geen enkel verband tussen de Stichting en Finex, zodat ook niet is vast te stellen of het hierin bedoelde bedrag van EUR 50.000,00 hetzelfde is als het bedrag dat wordt vermeld in de akte van geldlening tevens houdende positieve-negatieve hypotheekverklaring van 12 juni 2006, terwijl tot op heden ook niet eens is gebleken dat [borg 4] voormeld bedrag van EUR 50.000,00 daadwerkelijk heeft ontvangen, zo min ook is gebleken dat mevrouw [gevolmachtigde 1] terecht en op goede gronden als schriftelijk gevolmachtigde van [borg 4] is aangeduid in de hypotheekakte van 26 oktober 2006 met betrekking tot de in voormelde positieve-negatieve hypotheekverklaring genoemde recreatiewoning van [borg 4]. 5.2. De rechtbank acht voor de beantwoording van de vraag of de akte van economische eigendomsoverdracht rechtsgeldig tot stand is gekomen om te beginnen van bepalende betekenis dat de Stichting op volstrekt onvoldoende wijze is ingegaan op de door Finex blijkens haar conclusie van antwoord al voor deze procedure aan de raadsman van de Stichting gestelde vragen, kort samengevat luidend als volgt: - de notaris heeft geweigerd een akte van economische eigendomsoverdracht op te maken omdat het gevestigde hypotheekrecht dit verbood; PVF verleende geen medewerking; heeft PVF alsnog toestemming verleend? - wanneer hebt u productie 16 (de akte van economische eigendomsoverdracht, Rb) opgemaakt? - op welke kosten ziet artikel 12 sub a (van de akte van economische eigendomsoverdracht, Rb)? In dit verband wijst de rechtbank er op dat waar door de notaris in de op 23 mei 2006 opgemaakte en ondertekende overeenkomst is vastgelegd dat voor de economische eigendomsoverdracht de toestemming van PVF is vereist, niet is gebleken dat PVF daartoe daadwerkelijk toestemming heeft verleend. En indien al voor waar zou moeten worden gehouden dat de akte van economische eigendomsoverdracht op 23 mei 2006 is opgemaakt, is geheel onverklaard gebleven dat en waarom de Stichting nog bij facturen van 28 juni 2006 huurpenningen aan Finex in rekening heeft gebracht over de maanden mei, juni en juli 2006, terwijl de huurovereenkomst nota bene al bij die akte zou zijn ontbonden. Waar niet kan worden uitgesloten dat het verzenden van huurfacturen een aanwijzing kan zijn dat de akte van economische eigendomsoverdracht is geantidateerd, lijkt het de rechtbank overigens ook niet praktisch mogelijk dat notaris Schukken op 23 mei 2006 ’s avonds laat in een overeenkomst de volgende artikelen opneemt: 3. bij onderhandse akte op heden getekend door partijen, is de vennootschap huurder geworden van gemelde onroerende zaak; en 6. de stichting heeft het voornemen de onroerende zaak in economische eigendom over te dragen aan de vennootschap, echter de hypotheekhouder heeft daar (nog) geen toestemming voor verleend, (…) en dat de advocaat van de Stichting nog diezelfde avond een uitvoerig contract maakt dat ook nog eens op diezelfde avond door partijen wordt ondertekend. 5.3. Ten slotte wordt vastgesteld dat de Stichting niet alleen onvoldoende gemotiveerd de stellingen van Finex heeft weersproken dat zij niet en niet tijdig heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst en zij door de beslaglegging en de blokkering van de IPR-subsidies zelf een situatie heeft gecreëerd waarin Finex niet aan haar eventuele financiële verplichtingen jegens de Stichting kon voldoen, maar dat zij met name ook heeft nagelaten een concrete en controleerbare onderbouwing te verstrekken van de beweerdelijk bestaande betalingsachterstand van Finex ten tijde van het beslagleggen en dagvaarden. De Stichting heeft immers evenmin weersproken dat zij aan Finex huur heeft gefactureerd en dat zij daarop betaling heeft verkregen en heeft behouden. Indien de akte van economische eigendomsoverdracht wel rechtsgeldig zou zijn, moet worden aangenomen dat de huur onverschuldigd is betaald, in welk geval de door Finex gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als de op grond daarvan verschuldigde betalingen. 5.4. Alles overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat uit de beschikbare gedingstukken niet genoegzaam kan worden opgemaakt dat het bedrag van de geldlening ad EUR 50.000,00 op het moment van beslaglegging en dagvaarding terecht en op goede gronden van Finex opeisbaar was en evenmin dat de akte van economische eigendomsoverdracht rechtsgeldig tot stand is gekomen, zodat ook niet kan worden vastgesteld of toen de daarop gebaseerde vorderingen opeisbaar waren. Nu dat is te wijten aan het feit dat de Stichting niet deugdelijk heeft voldaan aan haar stelplicht, zullen de vorderingen van de Stichting zonder meer moeten worden afgewezen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Finex worden begroot op: - vast recht EUR 3.465,00 - overige kosten 9,08 - salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00) Totaal EUR 6.316,08 BESLISSING De rechtbank 1. wijst de vorderingen af, 2. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van Finex tot op heden begroot op EUR 6.316,08, 3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.H. Pauw en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier, en door mr. H. Wolthuis en de griffier ondertekend.?